Als er iets helemaal duidelijk is,
het als een paal boven water staat,
er geen speld tussen te krijgen is,
zo klaar is als een klontje,
dan, dan is het voor iedereen duidelijk dat wat er beweerd wordt, ook echt waar is. Niemand die nog twijfelt. Of toch?
Inderdaad, er is altijd en overal een ongelovige Thomas. Iemand die altijd een echt sluitend bewijs nodig heeft dat het laatste spatje twijfel wegneemt. Zo iemand is een rechter, een magistraat. Rechters zijn de verdedigers van de rechtstaat, de democratie. Ze moeten ons beschermen tegen ons zelf en tegen anderen. Een nobele taak is dat. En om die taak uit te voeren hebben rechters regels, wetten. Boeken vol, duizenden en duizenden bladzijden. Daarin staat alles van naaldje tot draadje uitgelegd. Echt aan alles is gedacht: aan wat moet en mag of wanneer iets kan of niet. Niets is aan het toeval overgelaten want, gerechtigheid moet geschieden
Wat is het dan toch jammer dat in al die dikke boeken over gerechtigheid niets staat over rechtvaardigheid. Het lijkt zo vanzelfsprekend. Maar schijn bedriegt. Ook hier. Gerechtigheid staat dikwijls lijnrecht tegenover rechtvaardigheid! Hoe anders verklaar je dat een bende drugsdealers, bij wie drugs, wapens, geld en wat nog allemaal is gevonden, vrijuit gaat omdat het bewijsmateriaal onrechtmatig verkregen is? Onrechtmatig bewijs blijft bewijs. Onrechtmatig is een bijvoeglijk naamwoord en verduidelijkt hier het zelfstandig naamwoord bewijs. Het verandert er niets aan. Een mooi meisje blijft toch een meisje, een grote hond blijft een hond en een gure winteravond blijft een winteravond. Voor rechters is dit blijkbaar niet zo. Onrechtmatig bewijs is plots geen bewijs meer. Daarom worden zware misdadigers gewoon weer de straat op gestuurd. Omdat een onderzoeksrechter niet duidelijk genoeg had gezegd waarom hij wou meeluisteren naar de telefoongesprekken tussen de bandieten.
De rechters schieten hier hun eigen doel voorbij. In hun streven om ons, de burgers, de maatschappij te beschermen stellen ze ons bloot aan nog meer gevaar. Ik heb hier maar één woord voor: wereldvreemd. Rechters, en bij uitbreiding het hele gerechtelijke apparaat, zijn wereldvreemd. Ze staan niet in de maatschappij of tussen het volk maar er boven, ernaast of eronder.
En er zijn nog groepen die wereldvreemd zijn. De clerus bijvoorbeeld. De bisschop van Brugge had een inschattingsfoutje gemaakt. Hij dacht dat het geen kwaad kon een pedofiele priester opnieuw te benoemen, nadat, jawel, het gerecht, de man als ongevaarlijk had bestempeld. Misschien is dat zelfs zo, maar in een land waar de naam Dutroux na meer dan twintig jaar nog iedereen kippenvel bezorgd, zou een bisschop beter moeten weten. Hoe wereldvreemd kan je zijn?
Ook onze regering is in hetzelfde bedje ziek. Om de crisis op te lossen zoeken ze geld waar het niet zit, bij mensen die geen schuld treft aan die crisis en die de crisis ook niet kunnen oplossen als ze daarvoor geen geld meer overhouden. En dan staat de regering versteld dat die mensen op hun achterste poten gaan staan.
Het mag duidelijk zijn: we leven in een apenland.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten