22 augustus 2009

Van waar komt de regenboog?

Eigenlijk is het pas heel recent tot me doorgedrongen. Ik ben al van kindsbeen af bezig met wetenschap. Als lagereschooljongen keek ik 's avonds door het venster van mijn slaapkamer naar de maan en de sterren. Ik tekende dan 'sterrenkaarten' en verslond mijn jeugdencyclopedie over sterrenkunde. Met mijn schoolkameraad smeedde ik plannen voor het bouwen van een raket om een ruimtereis te maken. Ik had al een traject uitgetekend langs alle planeten. Die reis is er jammer genoeg nooit gekomen. Vandaag kan je commerciële ruimtevluchten boeken, maar ik wacht op een last minute.

Wat later, als jonge tiener, kreeg ik een eerder korte bevlieging voor elektronika. Ik kreeg zo'n elektronikakit. Een soort valiesje met weerstanden, condensatoren, spoelen, potentiometers en heel veel gekleurde elektriciteitsdraadjes. Uren en dagen was ik zoet met het bijhorende instructieboekje waarin allerlei schakelingen stonden. Van een simpele schakeling om een lampje aan en uit te switchen tot een heuse radio.

Na de eerste lessen biologie en wetenschappen op school was ik helemaal in de ban van de wetenschap. Ik deed alle proefjes die we in de klas deden, zelf thuis. Onder mijn microscoop bekeek ik alles. Van een stofdraadje over een vliegenvleugel tot het zelfgemaakte pantoffeldiertjespreparaat (Die pantoffeldiertjes noemde ik een jaar of tien later 'sloefbeesten', maar da's een ander verhaal). Een chemiedoos heb ik nooit gekregen wegens 'te gevaarlijk'. Wat ik wel kreeg waren proefbuisjes, wat ander glaswerk en onschuldige chemische stoffen zoals zout water, suikerwater, citroensap, ... . Natuurlijk moest ik ook een bunsenbrander ontberen. Eveneens te gevaarlijk en ik had trouwens geen gasaansluiting in mijn kamer, maar met een kaars kom je ook al een eind. Lavoisier moet destijds ook op die manier begonnen zijn, en die heeft tenslotte het bestaan van zuurstof aangetoond. Nu, die kaars was ook niet geheel ongevaarlijk! Ik heb het nooit eerder aan iemand verteld maar ik had proefondervindelijk vastgesteld dat, wanneer ik ether in een proefbuisje verwarmde met mijn kaars, er een damp uit het buisje kwam. Ik vroeg mij, nieuwsgierig als ik was, af of die damp brandbaar zou zijn. Zo'n abnormale vraag leek me dat niet. Lucht brandt niet, de waterdamp uit de fluitketel brandt ook niet, dat wist ik zeker. Maar etherdamp, dat was toch wel intrigerend. Met een lucifer stak ik de etherdamp uit het proefbuisje in brand. Woef! Dat was mijn eerste wetenschappelijke steekvlam van wel een halve meter lang. Ik snelde met mijn brandende proefbuis richting badkamer om het onder de kraan te doven. Daarna ben ik braaf met mijn indiaantjes gaan spelen.

Eens een jaar of 15 vervaagde de experimentator in mij. Zowat al mijn vrije tijd ging naar het turnen. De wetenschap was, na de schooluren althans, ver zoek. In de turnzaal hoorde ik de trainers steeds roepen: 'meer kracht zetten!'. En, “lossen op het hoogste punt” of “Benen toe als je draait!”. Op een dag zag ik dat die kracht en energie in de turnzaal eigenlijk hetzelfde was als in de fysicales op school. Ik heb daarover dan maar een artikel geschreven voor het alom bekende clubblad 'Silokreporter', waarin ik aantoonde en uitrekende hoeveel kracht, energie en snelheid een turner wel ontwikkelt tijdens een reuzendraai of een salto.

Toen ik zelf gymnastiektrainer werd, zei ik keer op keer tegen mijn jongens, wanneer ze weer eens een beweging niet onder de knie kregen: “da's allemaal fysica. Ge zou op school wat meer fysica moeten leren. Dan zou je tenminste snappen hoe je een pirouette in de brug of een Stalderbeweging moet uitvoeren.” Ze keken me dan veelzeggend en niet begrijpend aan maar onbewust ontwikkelde ik mijn eigen biomechanica, vóór ik wist dat het woord bestond.
Ondanks mijn interesse in de exacte wetenschappen vlotte de studies niet echt. Desondanks toch een job gevonden waarbij veel wetenschap, vooral scheikunde en fysica, komt kijken. Tja, het bloed kruipt blijkbaar waar het niet gaan kan.

Eindelijk min of meer volwassen. En married, with children. Kids, komen, da's bekend, met de gekste vragen eerst. “Waarom draait het water als het wegloopt uit bad? Waarom kleurt afwaswater blauw als je een bord met rode kool afwast? Van waar komt de regenboog? “ Mijn standaardantwoord was, en is nog steeds, “Da's allemaal fysica”, of scheikunde of biologie al naargelang het onderwerp. Waarna ik mij laat gaan in een poging te verschijnselen te verklaren. Meestal krijg je dan van die veelzeggende blikken. Je ziet ze denken, “Nee, niet weer. Waarom vraag ik het ook?”

Je kinderen op een enthoesiaste manier wetenschap bijbrengen heeft blijkbaar een kwantumeffect. Sara heeft duidelijk de smaak te pakken, Freya daarentegen ziet formules en theorieën minder zitten. Misschien verandert dit nog. Wie weet?

Nog dagelijks ben ik bezig met wetenschap. Op 't werk en in m'n vrije tijd. Ik probeer zelfs de wetenschap achter het barbecuen te doorgronden ...

Geen opmerkingen: